Dag na de aanslag zal Zweden minder tolerant worden, nu een Oezbeekse immigrant wordt verdacht van een aanslag met vier doden? Twee wijkagenten hopen het. ‘Volgende keer vallen er honderd doden.’

Op zaterdagmiddag ligt om 12 uur nog een laatste dode op straat, bedekt met plastic. De laatste forensische onderzoeken zijn nog bezig. Honderd meter verderop pakt in zijn kerk de hulppastoor Nils Lidskag een gitaar. Hij zingt Death is not the end van Bob Dylan, wiens verzamelde songteksten hij na de aanslag in Stockholm „als een soort bijbel” heeft meegenomen. Op de mis zijn zo’n veertig man afgekomen.

Nils Lidskag is aangeslagen. Na de aanslag moest de kerk op last van de politie dicht. „Dat ging zo in tegen onze principes, maar de politie wist zeker dat we een doelwit waren.” Acht jaar geleden werd besloten dat de kerk moest sluiten omdat er toch niemand naar de missen kwam, waarna hij en de pastoor besloten dan maar naar buiten te gaan. „We richtten ons in eerste instantie op prostituees en kregen de naam dat deze kerk ‘naar de hoeren ging’. Dat pakte uiteindelijk goed uit, omdat mensen ons steeds beter wisten te vinden. We zijn nu deels een daklozenopvang en op zo’n dag als vandaag blijkt ook dat het belangrijk is dat we open zijn.”

Hij hoopt dat de aanslag het tolerante Zweden niet zal veranderen.

Zal Zweden, het land dat per hoofd van de bevolking de meeste asielzoekers toeliet, veranderen? Wie de aanslag pleegde, staat nog niet vast. Maar de politie heeft nu een Oezbeekse man aangewezen als hoofdverdachte, die volgens sommige Zweedse media als asielzoeker het land in kwam. En dat zal gevolgen hebben voor de manier waarop het land met immigratie omgaat, verwachten Zweden die samenkomen op de plek waar de truck het warenhuis in reed.

Zoals Per Johan Thörn, een dertiger, die „hoopt dat de politieke gevolgen beperkt zullen blijven”. Jan Rasmussen, een zestiger die in de jaren zestig in Hillegom woonde, is kritischer. „Ik ben dol op mensen, dus ook op immigranten, maar anders dan jullie zijn we buitenlanders niet gewend. Jullie hebben wel die ervaring, dankzij de koloniën. Bij ons is het veel te snel gegaan. We zijn tolerant, doen niet moeilijk om extra belasting te betalen om te zorgen dat asielzoekers en vluchtelingen goed worden opgevangen, maar dit is de dank die we krijgen. Alles gaat nu veranderen in Zweden, de politiek zal verharden en wij ook.” Een vrouw die op afstand heeft meegeluisterd, bevestigt in tranen: „Dit is de prijs die je betaalt wanneer je immigranten toelaat.” Hoofdschuddend loopt ze weer weg.

Tekleab Kibreab kwam zes jaar geleden uit Eritrea aan. Hij heeft net bloemen gelegd: „Het was geweldig zoals ik toen werd opgevangen. Een land als Zweden verdient een aanslag als deze niet. Het kan niet anders dan dit gevolgen zal hebben op de toekomst. Ik vind dat ze best selectiever mogen zijn in wie ze binnenlaten. Je moet open blijven staan voor vluchtelingen, maar niet iedereen mag meer naar binnen.”

Elke dag ‘Hai’ zeggen
De Oezbeekse verdachte woonde met zijn vrouw en vier kinderen in Märsta, een voorstad van Stockholm. Aan de ene kant zijn er golfbanen, grote hotels en een straat met grote huizen, die prompt de villastraat heet. Aan de andere kant staan veel flats, die – anders dan in het centrum van Stockholm – niet bepaald schoon geveegd zijn. Het gras is er dood, veel speeltuintjes hebben maar twee toestellen. Een grote glazen bibliotheek steekt schril af tegen de armoedige winkels. Het tankstation draait Arabische muziek, jongeren hangen ervoor. De poging er iets gezelligs van te maken is er, maar de gemeente is vergeten de boel te onderhouden. De meeste mensen spreken hier Pools, een enkeling Arabisch.

Twee wijkagenten spreken wat immigranten aan en vragen wat ze van de aanslag vonden. Ze staan er elke dag om te praten met de mensen in de buurt. Leo Tomasevic legt uit dat het zijn taak is om elke dag ‘Hai’ tegen de mensen te zeggen en te vragen hoe het met ze gaat. „Vandaag vragen we ook aan immigranten wat ze denken na de aanslag. Ze vinden het niet normaal, leggen ze dan uit, maar dat zegt niks. Ik doe dit werk al jaren, ik word er voor betaald om met ze te praten en tegen ze te zeggen dat ze geen domme dingen moeten doen. Maar dat heeft helemaal geen zin.”

Voor 2000 was dit een vriendelijke buurt, zegt hij. „Maar dat is met de komst van de immigranten totaal veranderd. We hebben nu vaak problemen en de regering pakt het helemaal verkeerd aan. Ze bouwen buurtcentra waar iedereen tot 23.00 terecht kan. Kinderen kunnen er spelen, je kan er biljarten, praten en wat drinken. Maar het is voor niets. Als ik op ze afloop en ‘Hai’ zeg, groeten ze vriendelijk terug en gaan uit elkaar. Wanneer ze hier te weinig bewegingsvrijheid hebben, gaan ze naar Västra. Worden ze daar aangesproken, dan keren ze weer terug naar dit centrum. Je krijgt nooit te horen wat ze echt denken.”

Zijn collega, Marill Milan, komt erbij staan: „Ik ben zes jaar geleden uit Cuba gekomen. Als ik had geweten dat Zweden zo was, was ik er gebleven. Want neem maar van mij aan: socialisme werkt niet. Deze regering is achterlijk. Telkens is het: blijf praten, maar dat werkt niet. Je moet ze eruit zetten en tegenhouden. Deze aanslag is een waarschuwing. Volgende keer vallen er honderd doden. Moeten we dan nog steeds blijven praten? In zijn eigen wijk in Stockhom is hij de enige buitenlander, zegt hij. „Ik moet er niet aan denken dat er nog meer zouden komen.”

Beide agenten denken dat er niet veel gaat veranderen. Leo Tomasevic: „Het zal wel weer niet. Vorige keer veranderde er ook niets. Toen waren er nul doden. Nu vier. Straks nog meer. Zweden zou zo snel mogelijk moeten veranderen, maar ik vrees het ergste zolang die socialisten er blijven zitten.”

In Stockholm zijn ’s avonds enkele linten al opgeborgen, de straten worden schoongeveegd. Veel mensen staan bij de bloemenzee en er zijn kaarsjes aangestoken. Er staan twee Palestijnen, met een Palestijnse en Zweedse vlag. ‘Terrorism? Njet’ staat erop. „We blijven hier tot middernacht staan. We kwamen hier een jaar geleden en zijn blij hier, maar willen zo ook tonen dat wij Palestijnen begrijpen wat terrorisme is. We zijn er bijna dagelijks het slachtoffer van.”

 

Bron: NRC.nl 08-04-2017